Boerenslim, creatief, volhardend en verantwoordelijk zijn eigenschappen die Adam Bösch toegedicht kunnen worden. Zijn goede bedoelingen werden echter niet altijd begrepen.

Bij een van zijn schaarse kerkbezoeken ontmoet Adam zijn oom Elias, die al langer in de gaten heeft dat het niet goed gaat met zijn neef en hem vraagt of hij een keer langskomt.

‘Weet je wat jij zou moeten doen? Het leger in. Je hebt daar meer toekomst dan hier in Stein.’

Adam reageert niet erg enthousiast.

‘Maar dan moet ik op mensen schieten, dat is niks voor mij…’

‘Ik ben huursoldaat geweest in Holland en weet dat er bij elk regiment muzikanten nodig zijn. Jij zou daar tromslager kunnen worden, dan hoef je niet te schieten.’

Adam kijkt hem ongelovig aan. ‘Omdat het belangrijk is dat de soldaten in de pas blijven lopen, geef jij met je trommel het loopritme aan en tijdens gevechten geef je de bevelen van de generaal door met trommelslagen. De infanteristen weten dan precies wanneer ze moeten laden en schieten. Je speelt ook samen met pijpers: dat zijn trompetters en fluitisten die de melodie spelen.’

Adam kijkt al wat volijker.

‘Waar ligt Holland?’ ‘Aan de andere kant van de Duitse staten.’

‘Maar ik spreek die taal helemaal niet.’

‘Dat leer je snel, ik zat in een regiment met bijna alleen maar Zwitsers en ik denk dat ze je er graag bij willen hebben. De legereenheid die ik bedoel verblijft meestal in de stad Breda.’

Adam, Silvester en hun medesoldaten worden ten noorden van Bergen op Zoom ondergebracht bij Fort Moermont, een onderdeel van de West Brabantse Waterlinie. Op dit terrein staat ook een aantal karren van zogenaamde vivandières. In die tijd was het heel gebruikelijk dat vrouwen en soms ook kinderen, meereisden met het leger. Ze kunnende soldaten goedkoop voorzien van etenswaar en dranken als jenever, brandewijn en likeur ‘uit eigen huis’. Desgewenst helpen deze vrouwen ook bij de verzorging van gewonden, het repareren van beschadigde kledij en bieden ze soms seksuele diensten aan de soldaten.

Schoppend en gillend wordt hij dan wakker, zonder besef van tijd en plaats. Niet alleen zijn gehavende been bezorgt hem pijn, maar de voortdurende spanning verkrampt zijn hele lichaam.
Met de hygiëne is het slecht gesteld, af en toe wordt er een emmer vuil water neergezet bij de gewonden. Als hij ’s nachts gaat plassen en buiten in het donker een kuil met een paar planken moet bereiken dat als tijdelijk gemak is ingericht, glijdt zijn kruk weg en landt hij onfortuinlijk in
een plas diarree.

 
‘De gewonde strijders varen over meren en kanalen. Adam is de enige Zwitser aan boord en heeft weinig zin om te praten. Af en toe vangt hij wat flarden op van gesprekken. Veel soldaten zijn zwaargewond. De Engelse en Russische krijgsgevangenen praten weinig; ze zijn angstig voor wat hun boven het hoofd hangt. De Nederlanders lachen veel en wisselen tips uit over goedkope hoeren in Haarlem. Een paar uur later doemen er aan de horizon een molen en een kerktoren op. Adam is nooit eerder in Haarlem geweest, op het eerste gezicht lijkt deze stad wel een beetje op Breda. Het schip meert aan voor een statig pand met twee witte beelden op het dak. Er is aan de kade een enorme bedrijvigheid van burgers en al of niet gewonde soldaten van verschillende nationaliteiten.
Adam heeft wat hulp nodig om met zijn gespalkte been de kade op te stappen.
‘Wat is er met u gebeurd?’ vraagt een vriendelijke jonge vrouw. ‘Keetje Hodshon, aangenaam.’
Hij weet niet goed hoe hij moet reageren. Met haar mooie blonde krullen, lange witte empirejurk en gouden sieraden lijkt deze vrouw wel een prinses. Zelf ziet hij er niet bepaald representatief uit met een baard van twee weken, spalk en opengeknipte broek met bloedspetters. Hij stelt zich ook voor en vertelt kort hoe hij gewond is geraakt. Keetje fronst haar wenkbrauwen.
‘Ik wil U met alle liefde een slaapplaats aanbieden op een van mijn logeerkamers, maar gezien uw kwetsuur denk ik dat het beter is dat u nu snel naar het Gasthuis gaat.’
Ze geeft Adam een stevige arm en loopt met hem naar een rij paard-en-wagens die al klaarstaat om de gewonden weg te brengen. Haar parfum ruikt naar alpenweide.
‘Veel succes, mijnheer Bösch.’
 
 
‘Waarom bent u hier?’
‘Bij Bergen was mijn bataljon in gevecht met de Russische troepen en toen kwam er een enorme explosie en verloor ik mijn bewustzijn.’
‘Wat is uw rang?’
‘Eh muzikant, ik ben tromslager.’
‘En toen dachten de Russen, die man is gevaarlijk, die moeten wij uitschakelen!’ zegt de chirurgijn smalend en zijn bulderende lach is tot ver in de gang te horen. De zuster vertrekt geen spier.
Adam vertelt over de explosie, dat zijn been waarschijnlijk is gebroken en dat hij veel last heeft van angstige herinneringen.
‘Wie heeft die spalk aangelegd?’
‘De chirurgijn van mijn regiment.’
‘Mag ik even kijken?’
De chirurgijn buigt Adams knie en draait zijn been een kwartslag.
‘Aauw,’ schreeuwt Adam.
‘Uw been herstelt goed. Wanneer is die spalk aangelegd?’
‘Een paar dagen geleden,’ zegt Adam, bijkomend van de pijn.
‘Niks aan doen, die spalk is prima, je kan nu naar huis en nog drie weken oefenen met de krukken.’
Adam protesteert: ‘Maar ik heb hier helemaal geen huis en mijn regiment is onderweg naar Deventer. Ik kan nog niet goed lopen en die gruwelijke beelden blijven maar terugkomen in mijn hoofd.’
De chirurgijn spreidt zijn armen: ‘Mijnheer Bösch, u denkt toch niet dat ik mij met dit soort onzin ga bezighouden? Er liggen hier in dit gasthuis wel tachtig oorlogsgewonden met ernstige lichamelijke aandoeningen. Mijn diagnose is dat u herstellend bent van een beenbreuk en dat u last heeft van een lichte vorm van nostalgia. U mag hier van mij nog één nacht blijven, morgenochtend krijgt u de krukken. Als u ze heeft teruggebracht kan u wat mij betreft weer trommelen, begrepen?’
 
 
Door de onzekerheid en de lange voettocht daalt het moreel van de soldaten en bij een deel van de leiding. Steeds meer soldaten besluiten om te deserteren.
De ontwikkelingen komen in een stroomversnelling als een Engels-Oostenrijks bataljon de Bataafse troepen bij Aschaffenburg aanvalt en er een enorme veldslag dreigt.
Het verontrustende nieuws komt ook Adam en Lodewijk ter ore, ze kijken elkaar vertwijfeld aan en bespreken de optie om te deserteren. Ze wikken en wegen. Als zij ook zouden deserteren, heeft dat grote gevolgen voor hen. Ze verliezen hun inkomen, pensioen en goede naam. In feite worden ze vogelvrij en zullen altijd op hun hoede moeten zijn voor ontmaskering. De straffen op desertie zijn niet mals. Ze kennen verhalen over soldaten die dwangarbeid kregen opgelegd, spitsroeden moesten lopen of zelfs de doodstraf kregen. Maar hoe groot is de kans op overleving als ze met een groep niet gemotiveerde en onervaren soldaten betrokken raken bij een oorlog tussen twee wereldmachten?
 
 
Adam sluit zijn ogen, ziet weer het beeld van Napoleon die op een grote tafel tinnen soldaatjes verplaatst, en wordt zich er pijnlijk van bewust hoe die soldaatjes meegenomen zijn in de maalstroom van de geschiedenis. Napoleon is ook ooit begonnen als een kleine soldaat. Hij had wellicht een groot strategisch inzicht, maar kon zich vooral opwerken door zijn grote mond en meedogenloosheid. Adam ziet zijn desertie uit het Bataafse
leger opeens in een heel ander licht, niet als een daad van lafheid, maar meer als een daad van verzet’.

De cover van mijn boek ‘De Tromslager’.

Archiefmateriaal Tromslager

Je kunt Frits Bosch ook volgen via LinkedIn en Twitter.